bekijkhetmaar.punt.nl
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste reacties
    Mufti Amin al-Husseini
    Mufti van Jeruzalem
    Het is bijzonder interessant om te zien hoe de linkse houding is ten opzichte van de PLO, de groepering die op een gruwelijke manier strijden en er niet voor terugdeinzen om hun kinderen vanaf de geboorte op te leiden tot martelaren. De PLO maakt niet alleen jongens maar meisjes wijs dat als zij streven als Jihadmartelaar in het Paradijs van Allah zullen worden opgenomen.

    Mohammed Amin al-Husseini werd geboren in 1893 als zoon van de Mufti van Jeruzalem en lid van een hoog in aanzien en aristocratische familie. De Husseini familie was één van de rijkste en machtigste families binnen de rivaliserende clans in de Ottomaanse provincie Judea.
    Amin al-Husseini studeerde islam wetten aan de al-Azhar universiteit, en was student bij Sjeik Muhammed Rachid Rida in Cairo. Later kreeg hij ook nog les in de Istanbul School of Administration.
    In 1913 vertrok hij op pelgrimstocht naar Mekka, waar hij de eervolle titel van ‘Haj’ verwierf.
    Hij ging als vrijwilliger bij het Ottomaanse Turkse leger tijdens Eerst Wereldoorlog, hier vocht hij tegen de Britten en de Fransen. Nog voor het einde van deze oorlog vestigde hij zich in Jeruzalem, waar hij de zijde koos van de overwinnende Britten.
    Op 2 november 1917 schreef de Britse minister van Buitenlandse Zaken Arthur James Balfour een verklaring aan Lord Walter Rothschild, een leider van de Joodse gemeenschap in Groot-Brittannië. In de zgn Balfour-verklaring  stond:
      "Zijne Majesteits Regering staat welwillend tegenover de vestiging in Palestina van een nationaal tehuis voor het Joodse volk, en zal zijn beste krachten aanwenden de verwezenlijking van dit doel te bevorderen, waarbij het duidelijk moet zijn dat niets zal worden ondernomen dat de burgerlijke en godsdienstige rechten van niet-Joodse gemeenschappen in Palestina zou kunnen aantasten, of de rechten en de politieke status die Joden genieten in enig ander land."
    Deze verklaring zette bij al-Husseini kwaad bloed. Hij voer een vele strijd tegen de Joden, hiermee verwierf hij snel de reputatie van een uiterst gewelddadige en fanatieke antizionist. In 1920 hitste hij zijn volgelingen op en zij zetten gezamenlijk een aanvallen in op de Joden. Na deze slachting werd hij door de Britten aangehouden. Maar al snel werd hij weer naar huis gezonden.
    Een jaar later overleed de zittende Mufti van Jeruzalem. De eerste Palestijnse Hoge commissionair, Sir Herbert Samuël was enorm onder de indruk van al-Husseini en stelde al-Husseini, als beloning, aan als 'Groot-Mufti van Jeruzalem'.
    De meeste Arabieren waren groot voorstander van de komst van de Joden, de ontwikkeling van het gebied voer er wel bij, dat er steeds meer Joden kwamen.
    Maar al-Husseini wou daar niks van weten, hij was overtuigde voorstander om de Joden te verdrijven, zonder enige compromissen, zelfs indien het de Arabieren 1000 jaar zou achterstellen.
    Het antisemitisme zat er bij de jonge al-Husseini als Mufti zo diep in, dat zijn aanstelling de kiemen legde voor een verdere ontwikkeling in het moslimfundamentalisme en de verstevigde de haat jegens Joden in het Midden Oosten.
    De Britse regering begreep dat de Bakfour-verklaring kwaad bloed zette bij de Arabieren. Daarom werd een deel van het oorspronkelijke hele Mandaatgebied Palestina in tweeën gedeeld. Van de zee tot de Jordaan voor de Joden en het gebied over de Jordaan (Trans-Jordanië) voor de Arabieren. Vervolgens vaardigden de Britten de White Paper uit, waarbij de Joodse immigratie drastisch werd beperkt.
    In 1922 werd hij eveneens verkozen tot President van de Hoge Moslimraad.
    Op die manier werd Al-Husseini de religieuze en politieke leider van de Arabieren.

    William Ziff schreef in zijn boek "The Rape of Palestine" volgende samenvatting:
      Wat volgt uit de (1920) verwarring was een politieke avonturier genaamd Haj Amin al-Husseini.
      Haj Amin was veroordeeld door het Britse gerecht tot vijftien jaar dwangarbeid. Door de politie werd oogluikend toegestaan om hem te laten ontsnappen, en hij werd een vluchteling in Syrië.
      Kort daarna, lieten de Britten hem toe om naar Palestina terug te keren, waar hij, ondanks de oppositie van de Moslim Hoge Raad, die hem zagen als een soort hooligan, werd Haj Amin aangeduid als Grand Mufti van Jeruzalem voor het leven. (P.22)
    Al-Husseini vertegenwoordigde nieuwe opkomende ideeën voor militanten van een Palestijns Arabisch nationalisme, een concept dat tot voor kort onbekend was.
    Eens hij de macht had gegrepen, begon hij een terreur- en intimidatiecampagne tegen iedereen die tegen zijn gevoerde politiek inging. Hij vermoordde Joden bij elke gelegenheid, maar elimineerde evengoed Arabieren die hem niet steunden in zijn geweldcampagne.
    Husseini wou absoluut niet negotiëren noch enige compromissen sluiten in het belang van de vrede.
    Als jonge man had al-Husseini samengewerkt met een autochtone Jood, Abbady, die het volgende commentaar weergaf:
      Onthoud dit, Abbady, dit was en zal Arabisch land blijven. Wij hebben niks tegen de autochtonen van dit land (Joden met een Dhimmystatuut), maar de vreemde invasie, de zionisten, zullen uitgeroeid worden tot de laatste man. We willen geen vooruitgang, noch voorspoed. Niets dan het zwaard zal beslissen over het lot van dit land.
    In 1929 braken grote Arabische rellen uit tegen de Joden. Die begonnen toen al-Husseini de Joden valselijk beschuldigde van ontwijding en het in gevaar brengen van lokale moskeeën, inclusief de al-Aqsa moskee. De kreet ging uit van de Arabische massa: "Itbakh al-Yahud!!" ("Slacht de Joden!!")
    Na het bloedbad onder de Joden in Hebron, verspreidde de Mufti foto’s van afgeslachte Joden en claimde dat de doden Arabieren waren, vermoord door de Joden.

    Zes prominente Arabische leiders vormden in april 1936 het Arabisch Hoger Comité, samen met de Groot-Mufti Haj Amin al-Husseini, als hoofd van deze organisatie, protesteerden ze met vereende krachten tegen de Britse steun aan de Zionistische vooruitgang.
    In diezelfde maand braken rellen uit in Jaffa, wat het begin betekende van een periode van drie jaar geweld en burgerlijke strijd, dat beter bekent staat als de "Arabische opstand". Het Arabisch Hoger Comité leidde de terroristische campagne tegen Joodse en Britse doelen.
    Handig gebruik makend van de Arabische onrust, versterkte al-Husseini zijn controle over de Arabieren via een moordcampagne op Joden en niet-meegaande Arabieren. Tezelfdertijd rekruteerde hij gewapende milities, en kreeg hij financiële steun vanuit de moslimwereld door anti-Joodse propaganda.
    De White Paper werd later toch ingetrokken onder druk van de Zionisten, de Britse publieke opinie en de Volkenbond. Het bleef echter niet rustig in het mandaatgebied. De Mufti zocht bondgenoten met het fascistische Italië (door wie hij waarschijnlijk gefinancierd werd) en Nazi-Duitsland.
    In 1935 brak een volgende Arabische opstand uit. Er volgden drie jaar van geweld aangesticht door de Groot Muftie Hoesseini en zijn bondgenoten. Er vielen honderden Joodse slachtoffers en naar schatting ruim vierduizend Arabieren werden gedood waarvan de meeste door de Mufti. De Britten namen draconische maatregelen. De Muftie vluchtte naar Irak in 1937. Vanuit Irak drukte de Groot-Mufti zijn solidariteit uit met Duitsland, en vroeg het Nazi-Derderijk zich te verzetten tegen de oprichting van een Joodse Staat, de Joodse emigratie naar het mandaatgebied te stoppen en de Arabische bevolking van wapens te voorzien.
    Volgens de documentatie op het Neurenberg en Eichman tribunaal, financierde nazi-Duitsland al-Hussein’s inspanningen in de 1936-39 opstand in Palestina.
    Adolf Eichman bezocht Jeruzalem en ontmoette al-Husseini in die tijd en onderhield een geregeld contact met hem vanuit Berlijn.
    In 1939 besloten de Britten het gebied van de zee tot de Jordaan in tweeën te splitsen dit werd beschreven in het Peel-rapport. Sommige Zionisten waren tegen omdat ze geloofden in een bi-nationale Joods-Arabische staat. De Revisionistische en Religieuze Zionisten waren ook tegen omdat ze tegen het opgeven van elk stuk herwonnen Erez Yisraeel waren. Onder toenemende druk van de Arabische landen en de nazi's in het mandaatgebied werd de Joodse immigratie inperkte. De Revisionisten hadden in 1931 de Irgoen opgericht, deze coördineerden de instroom van de zionisten, vanaf 1939 ging deze groep tegen de Britten en de Arabieren vechten.
    Al-Husseini verzocht de Asmogendheden in 1940, om de Arabische rechten te herkennen:
    …om de kwestie van de Joodse elementen in Palestina en andere Arabische landen in overeenstemming met de nationale en raciale belangen van de Arabieren te regelen, op dezelfde wijze als deze die gebruikt worden om het Joodse probleem op te lossen in Duitsland en Italië.
    Ondertussen hielp Syrië de pro-nazi opstand in 1941 en verdedigde hij de uitroeiing van Joden via een radio uitzending in het Midden-Oosten.
    In dat zelfde jaar vestigde de Mufti zich in Nazi-Duitsland. De Mufti verbleef nadien als speciale gast van Hitler in Berlijn voor de rest van de Tweede Wereldoorlog. Ondertussen rekruteerden ze Balkan moslims voor de beruchte SS-bergdivisies, die probeerden om Joodse gemeenschappen uit te roeien in het hele gebied. In 1942 werd een “Islamitische Zentral-Institut zu Berlin e.V.” opgericht, waarvan al-Husseini de beschermheer werd.
    Tijdens een feestgelegenheid waarbij ook Goebbels aanwezig was, stelde al-Husseini zich voor als ‘Führer’ van 400 miljoen Arabieren, vijand van het Zionisme, Engelse grootmachtdromen en Bolsjewieken.

    Om in de partizanenoorlog tegen Tito stand te houden, gaf Hitler toestemming op 10/2/1943 om een moslimdivisie van de ‘Waffen-SS’ op te richten voor de Balkan. Daarvoor werden vooral Bosnische moslims aangeworven. Vanuit het SS-hoofdkwartier werden imams in de diverse bataljons aangenomen en de islamitische voedselvoorschriften werden toegepast.
    Met zijn divisie zorgde al-Husseini ervoor dat tienduizenden Joden werden gedeporteerd naar de concentratiekampen. Als het aan hem gelegen had dan waren alle Joden uitgeroeid.
    Als er nadien ook nog een Mullah-school in Dresden werd geopend, sloten zich vele moslim personaliteiten aan voor de werving in de Balkan.
    Na de militaire opleiding in Zuid-Frankrijk kregen ze de benaming "13. Waffengebirgsdivision der SS Handschar”.
    Om zijn autoriteit niet te verliezen bij de moslimtroepen, verbleef al-Husseini ondertussen in Kroatië. Tegen 19 april 1943 hadden zich meer dan 20.000 moslimvrijwilligers gemeld. Waardoor al-Husseini nog twee andere moslimtroepen binnen de Waffen-SS op kon richten, te weten de "21. Waffengebirgsdivision der SS Skanderbeg" en de "23. Waffengebirgsdivision der SS Kama" dat overwegend uit Kroatische moslims bestond.
    In mei 1945, net één dag voor de overgave van nazi-Duitsland, vluchtte al-Husseini naar Zwitserland, waar hij aan de Fransen werd uitgeleverd.
    Maar de Britten zagen af van een uitlevering, omdat ze hun politiek tegenover de Arabische landen niet in gevaar wilden brengen. Tijdens de Neurenberg processen mochten geen bewijsstukken die al-Husseini zouden kunnen belasten, aangebracht worden.
    Op de Neurenberg-tribunalen, getuigde de rechterhand van Eichmann, Dieter Wisliceny (die later als oorlogsmisdadiger werd terecht gesteld) het volgende:
      De Mufti was één van de aanstichters van het systematisch uitroeien van Europese Joodse gemeenschappen en was een collaborateur en adviesgever van Eichmann en Himmler in de uitvoering van de plannen. (…) Hij was één van Eichmann’s beste vrienden en heeft hem gedurig aangespoord de uitroeiingsplannen aan te vangen. Ik hoorde hem zeggen dat hij vergezeld van Eichmann, incognito de gaskamers had bezocht in Auschwitz.
    Na de oorlog werd al-Husseini aangeklaagd in Joegoslavië wegens oorlogsmisdaden op Christelijke Serven, zigeuners en Joden., maar hij kon ontsnappen aan vervolging.
    De Mufti werd nooit veroordeeld omdat de geallieerden bang waren voor een storm in de Arabische wereld indien zij de nationale held zouden behandelen als een crimineel.
    Na de oorlog vluchtte al-Husseini naar Egypte en kon zo ontsnappen aan een zekere berechting als oorlogsmisdadiger in Egypte waar hij werd ontvangen als nationale held. Later vertrok hij naar Libanon, waar hij met Syrische steun, de grondlegger was van de bewegingen 'Jihad' en 'Hamas'.
    In 1946 ontmoet Amin al-Husseini zijn protegé en neef, de Egyptische Yasir Arafat, wiens echte naam Mohammed Abder Rauf Arafat Al-Kuadwa Al-Husseini is. De Mufti plaatst de jonge Arafat aan het hoofd van de wapenaankoop voor zijn irreguliere militie, "De heilige strijders".
     
    In 1948, gedurende de strijd van Israël om de verenigde Arabische aanvallen af te slaan, zond de Mufti via radio-uitzendingen onophoudelijk volgende boodschap, "Ik verklaar de heilige oorlog, mijn moslimbroeders! Dood de Joden! Dood ze allemaal!!"
    Vanuit Jeruzalem coördineerde al-Husseini, samen met zijn neef Yasser Arafat, de oorlog van 1948 tegen de nieuwe Staat Israël.
    Al-Husseini schreef het voorwoord in de naar het Arabisch vertaalde boek Mein Kampf.
    De Mufti zorgde eveneens voor faciliteiten voor gevluchte nazi's (Odessa) die islamitische landen vluchtte en daarmee wisten te voorkomen berecht te worden voor hun nazi-oorlogsmisdaden.
    De Odessa fondsen werden geregeld door de Zwitserse naziebankier Francois Genoud, die de opdracht had gekregen de gestolen fondsen van Joden uit Europa te beheren. Genoud zou diverse Arabische nationalistische en anti-Israëlische activiteiten financieel gesteund hebben, allemaal met geconfisqueerd Joods geld. In 1962 stichtte hij de Arabische Nationale Bank in Geneva in partnerschap met Syrië en werd in dat zelfde jaar directeur van de Arabische Volksbank in Algerije.

    Veracht door de Jordaanse monarch, die de positie van Groot-Mufti van Jeruzalem aan iemand anders had gegeven, regelde Haj Amin al-Husseini de moord op de koning Abdullah in 1951 terwijl hij in ballingschap leefde in Egypte.
    Koning Tallal volgde Abdullah op als koning van Jordanië en weigerde toestemming te geven aan Amin al-Husseini om het door Jordanië bezette Oost-Jeruzalem binnen te komen.
    Na een jaar werd koning Tallal onbekwaam verklaard, de nieuwe koning Hussein weigerde echter eveneens al-Husseini toestemming te geven om Jeruzalem binnen te komen.
    Koning Hussein herkende dat de voormalige Goot-Mufti enkel problemen zou aanwakkeren en een gevaar betekende voor de vrede in de streek.

    De Mufti zette echter het werk van de nazi’s verder toen hij in 1962 president werd van de ‘World Islamic Congress’ waar hij pleitte voor een etnische zuivering van Joden in de Arabische landen. Landen waar vele Joodse gemeenschappen voorafgingen aan de islamitische opkomst. Daardoor blijven Judea, Samaria (Bezet door Jordanië) en de Gazastrook (bezet door Egypte) op de agenda staan voor de etnische zuivering. In 1964 besluiten de Arabieren zich niet langer Arabier te laten nomen en introduceren de benaming 'Palestijn', zodat het lijkt alsof er ooit een Palestijns volk heeft bestaan.

    Terreurgroeperingen
    De Egyptenaar Gamal Abd-el Nasser, die tijdens de onafhankelijks oorlog tegen Israël vocht en zwaar gewond was geraakt, werd in 1954 beschuldigd van medeplichtigheid aan een aanslag op Nasser. El-Nasser was lid van "Het Genootschap van de Moslim Broeders". Het Broederschap is een wereldwijde Islamitische beweging, hun motto is: Allah is ons doel. De Profeet (Mohammed) is onze leider. De Koran is onze wet. De strijd is onze manier. Voor Allah sterven is onze hoogste verwachting." De in Egypte geboren Yasser Arafat sluit zich aan bij het Broederschap en komt zo in contact met el-Nasser.
    In 1946 wordt vanuit het Moslimbroederschap de organisatie ter bevrijding van Palestina, Munazzamat al-Tahrir al-Filastiniyyah (PLO), opgericht. Oprichters zijn Gamal Abd-el Nasser, Yasser Arafat, Amin al-Husseini en Mahmoud Abbas.
    In 1958 gingen Egypte en Syrië op in één staat, de Verenigde Arabische Republiek (VAR), met Djamal Abd al-Nasser als president. El-Nasser geeft het stokje van de leiderschap over aan al-Husseini. Kort daarop werd ook Noord-Jemen opgenomen in deze unie. In 1961 verliet Syrië de unie. In 1965 werd Nasser zonder tegenstand herkozen als president van de VAR.

    Haj Amin al-Husseini overleed uiteindelijk in 1974. Hij keerde nooit naar Jeruzalem terug na zijn vertrek in 1948.
    Zijn plaats als leider van de radicale, nationalistische Arabieren werd ingenomen door zijn neef Mohammed Abdel-Raouf Arafat As Qudwa al-Husseini, beter bekend als Yasser Arafat.
    In augustus 2002, Arafat gaf een interview waarin hij refereerde naar 'onze held al-Husseini als een symbool van het Palestijns Arabische verzet'.
    En in de trend van zijn mentor zei Arafat: "Wij zijn niet Afghanistan. Wij zijn het machtige volk. Waren ze in staat om onze held Haj Amin a-Husseini te vervangen? Er waren talloze pogingen om van hem af te geraken toen ze hem aanzagen als een collaborateur van de nazi’s, maar zelfs dan, leefde hij in Caïro en nam deel aan de oorlog in 1948 en was hij één van zijn troepen." (London Arabic Daily – interview herdrukt in Palestinian Daily 2/8/2002)
    De PLO leider Yasser Arafat was in linkse kringen uiterst populair. Zo liet Gretta Duisenberg, de echtgenote van de directeur van de Europese Centrale Bank, zich fotograferen terwijl zij arm in arm staat met Arafat. Links ziet Arafat hem niet als een terrorist, maar als een 'vrijheidsstrijder'.
    Echter: ongeacht hoe men over de Arabisch-Israëlische strijd denkt, iemand die opdracht geeft om met bomgordel een bus in te stappen om zichzelf en mede passagiers op te blazen is en blijft een terrorist. In de jaren zeventig ondersteunde PLO-leider Arafat verschillende linkse terreurgroeperingen. Hij doet dit niet alleen financieel maar ook door trainingen te geven aan leden van o.a. de Rote Armee Fraktion (Duitsland), de Rode Jeugd (Nederland) en IRA (Ierland). De Rote Armee Fraktion (RAF) hielp de PLO fractie "zwarte september" in 1972 bij de terreuractie tegen de Israëlische atleten tijdens de Olympische zomerspelen.

    Reacties

    Paul Mehlbaum op 21-01-2011 00:00
    citaat uit je artikel
    [Hij ging als vrijwilliger bij het Ottomaanse Turkse leger tijdens Tweede Wereldoorlog]
    je bedoelt Eerste Wereldoorlog
     
    De benoeming van Haj Amin el-Husseini tot Moefti van Jeruzalem was illegaal (Hij ontving geen officiële bevestiging van zijn benoeming en de benoeming werd niet officieel gepubliceerd) en kwam tot stand door een anti-joods complot.
     
    -Huttenbauer: Ernest Tatham Richmond & Haj Amin al-Husseini
     
    Britain, Haj Husseini and the Arab Riots of 1920
     
     
    An Aesthetic Occupation: The Immediacy of Architecture and the Palestinian Conflict-Terrible Episodes
     
     
    Architectural Review, The, Oct, 2002 by Timothy Brittain-Catlin
     
    At the heart of this book there is an interesting examination of some of the actions of Ernest Richmond, an architect and sometime partner of Herbert Baker, but also an anti-Semitic hysteric and Bellocite Catholic convert, who used his position within the British Mandatory government of pre-Israel Palestine to cause trouble between the Arab and Jewish populations of Jerusalem. Richmond was involved in the escalation of an Arab claim that the Zionists were poised to destroy the Dome of the Rock: a claim based on naive drawings from Zionist folklore and a literal interpretation of a metaphor used by Alfred Mond in an after-dinner speech. He also lobbied incessantly and improperly, but successfully, for the promotion of Muhammed Hajj Amin al-Husayni (subsequently Hitler's greatest ally in the Middle East) to the post of Grand Mufti.
     
    Unfortunately, this terrible episode in the great heroic tragedy that was the British involvement in Palestine is buried in page after page of apparently meaningless drivel presumably following the latest fashions in literary criticism. Monk defines his argument thus: 'Architecture itself assembles and reassembles the constellation of possible positions actually assumed by participants in this conflict, who confront die element of the nonidentical within architecture as if that element were the trace of the agency of the Other, that is, as if each threat to an immediately intuited reality confirmed by an object emanated from an opposing presentation of immediacy, rather than from the fact that the object's "identity" only introduces itself "in its otherness to all identification"'. Imagine 130 pages like that. Suspiciously, the lengthy footnotes contain whole episodes, rather as if the author were unable to integrate them properly into his text; and an enormous bibliography includes references (such as to A.J . Sherman's magnificent Mandate Days) which make no appearance whatsoever in the text or footnotes.
     
    COPYRIGHT 2002 EMAP Architecture
    COPYRIGHT 2002 Gale Group
     
    De kwestie rondom de benoeming van Haj Amin el-Husseini tot Moefti van Jeruzalem is op 15 juli 1947 besproken in de Verenigde Naties
     
    http://domino.un.org/UNISPAL.NSF/9a798adbf322aff38525617b006d88d7/42647fa78ad02e7b85256e9700567233!OpenDocument

    [...]
    The focal point of British policy in Palestine was to use Arab arguments as a pretext for slowing up the development of the Jewish national Home, and Jewish arguments as a pretext against the national demands of the Arabs.
     
    The Government claims in its Memorandum to this Committee that it made efforts to bring about an understanding between the Jews and the Arabs but it did not succeed. The Government would have undoubtedly made a much better point if instead of speaking in general terms about efforts which were frustrated, it had brought into its Memorandum at least five cases of such attempts during its mandatory rule of 25 years. It did not do so. It did not mention even five cases for the sake of example.
     
    Ever since its inception, there was a trend in the Mandatory Government of Palestine to encourage the Arabs to oppose the establishment of the national Home promised the Jews in the Balfour Declaration and in the Mandate. After the first riots in Palestine in 1920, high Government officials were accused of being guilty concerning their outbreak — as testified in the Protocols of the Shaw Commission in 1930.
     
    Also during late years, the Government maintained epic calmness and complete indifference to religious and national incitement which culminated in bloody outbreaks. When outbreaks did occur they were allowed to develop; many victims were killed; and the relations between the two nations were thus poisoned. However, when in 1933, the Arabs directed their demonstrations against the Government and consciously refrained from touching Jews, these demonstrations were immediately suppressed with an iron fist.
     
    The culminating and most typical instance of this policy was exemplified by die appointment of Haj Amin Al-Husseini as the Mufti of Jerusalem in April 1921 and as the President of the Supreme Moslem Council in 1922. The anti-Jewish sentiments of Haj Amin were then very well known — only a year previously he had been sentenced to ten years of imprisonment for incitement to riots against Jews which did take place at that time, but he was afterwards reprieved. In the elections for the office of Mufti, Haj Amin received 9 votes as against 12, 17, and 18 votes for the other candidates who were older and more learned than he. In spite of the rules enacted by the Government itself by which the Supreme Moslem Council was to be elected every four years, no such elections took place ever since. The Mufti was removed from office only after the murder of the British District Commissioner, Andrews, in 1937.
     
    In his Dairy, the late Colonel Kisch, who served as head of the Political Department and Chairman of the Zionist Executive in Palestine from Jan. 1923-August 1931, one can find many sustaining examples proving this point. We shall quote here some of them. It is to be noted that the late Brigadier Kisch can hardly be suspected of having lacked confidence in the British. When Riad es-Sulh — now Prime Minister of the Lebanon — tells him on the basis of his observations that "The Government are not sincere about the elections (to the Legislative Council) — (which were boycotted by the Mufti and his followers, but were supported by a large section of Arab public opinion) and that the Government do not wish to see a rapprochement between Jews and Arabs", Colonel Kisch notes in his Diary (3.4.23)—"I cannot believe this to be the case, but undoubtedly the Government have acted, and are acting, as if it were true." According to Ragheb Bey Nashashibi, (Kisch Diary — 21.9.23) "in all matters concerning Arab participation — in the Legislative Council — the High Commissioner is following the advice of Richmond who is opposed to all co-operation with the Jews".
     
    Concerning the same Mr. Ernest T. Richmond, Col. Kisch writes in his Diary (21.9.23) that "the Jews and the moderate Arabs see in Richmond a man who identifies himself fully with the policies of the Mufti". And this is the man who served as the Assistant Secretary, head of the Political Department and adviser to the High Commissioner of Palestine during the years 1920-24.
     
    It was the British Administration, in co-operation with certain interested Arab circles, which was responsible for the removal of Saleh Hassan Shukri, the then mayor of Haifa, who enjoyed the respect and esteem of both Jews and Arabs. Hassan Shukri was punished for having sent a message of greetings to the High Commissioner, Sir Herbert Samuel, who had arrived in the country. At the first municipal elections which took place after this incident in 1927, Hassan Shukri was re-elected with the overwhelming majority of both Jews and Arabs and he served as Mayor in Haifa till his death.
    [...]
     
    Archives HUB: E. T. Richmond Papers
    http://www.archiveshub.ac.uk/news/03121902.html

    Ernest Tatham Richmond was born in 1874, the son of Sir William Blake Richmond, the painter.
     
    He first travelled to Egypt in 1895 to help Somers Clarke prepare illustrations for his book on the Temple of Amenhotep III and the following year was appointed Assistant Architect to the Comité pour la Conservation des Monuments de l'Art Arabe in Cairo under Herz Bey. From 1902 to 1903 he was attached to the Royal Engineers and worked for the Army of Occupation under General Talbot, building barracks and houses for the troops. The following year he was appointed to a position as architect to the Ministry of Public Works in Cairo and from 1900 to 1911 was Director of the Department of Towns and State Buildings at the Ministry. During this period he married Margaret Muriel Lubbock and set up home in a newly contructed house at Zenein. He became increasingly disenchanted with life in Egypt and in particular unhappy with the separations from his wife and three young children, and in 1911 gave up his position to return to private architectural practice in England.
     
    In 1914 with the outbreak of war, Richmond joined the ambulance service, serving for a short time in Belgium. The following year he was appointed to a position in the Ministry of Works, with responsibility for the supply of grenades. In late 1915 an accident with a grenade damaged his left hand and affected his health in general. His next appointment was to a temporary commission as Lieutenant in the Royal Naval Volunteer Reserve, probably in naval intelligence, when he saw service in Gibraltar for 7 months in 1917. Dissatisfied with the work, he requested a return to England in September of that year. After a short period as architect to the War Graves Commission in France, he spent the remaining months of the war as consulting architect to the Haram al-Sharif in Jerusalem.
     
    In 1919 Richmond returned to London and worked in partnership with Herbert Baker. The following year he received an invitation from the High Commissioner in Palestine to join the administration as a link between it and the Arab population. He served as Assistant Civil Secretary (Political) with special responsibility for Arab affairs from 1921 to 1924. Increasingly out of step with the administration, he resigned his post in 1924 and spent the next three years in England. In 1927 he returned to Palestine as Director of Antiquities, retiring ten years later.
     
    In 1926 Richmond was accepted into the Roman Catholic Church, and thereafter his strong religious faith played a major part in his life and features prominently in his writings. Plans to settle in Italy after retirement were abandoned with the outbreak of war and Richmond settled in Gloucestershire where he continued to write and to take an interest in affairs in Palestine. He died in 1955.
     
    Alhusseini Album
     
     
    Vriendelijke groet,
     
    Paul Mehlbaum
    Niels op 21-01-2011 09:57
    Beste Paul Mehlbaum,
     
    Hartelijk dank voor de aanvulling. Zoals je wellicht hebt gezien heb ik die (enorm stomme) fout aangepast. het was natuurlijk de Eerste Wereldoorlog. Tijdens de Tweede was hij actief voor de nazi's.
     
    Shabbat shalom
    Commentaar
    Jouw naam/bijnaam
    Website url
    E-mail
    Je Punt profiel
    Hou mij op de hoogte
    Ik wil op de hoogte gehouden worden
    Dit is een verplicht veld
    Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl